|
Reglement voor
deelname aan proeven, wedstrijden, opleidingen in motorcross
UMC Vlaanderen
TITEL I : VOORAFGAANDELIJK
Art. 1 Onderhavig Reglement werd opgesteld door het Jeugdcomité en
het Kwaliteitscomité conform het Besluit
van de Vlaamse Regering dd 08/09/06 tot bepaling van
de maatregelen inzake medisch verantwoorde sportbeoefening bij de deelname van
minderjarigen aan sportmanifestaties, proeven, wedstrijden en opleidingen in de
sporttak motorrijden – discipline motorcross, en goedgekeurd door de vzw
UMC Vlaanderen.
TITEL II : DEFINITIES
Art. 2 In dit reglement wordt verstaan onder:
1. Sportmanifestatie: elk initiatief tot sportbeoefening met
recreatieve, competitieve of demonstratieve doeleinden in georganiseerd
verband, zowel op particulier als op openbaar domein.
2. Proef: de sportmanifestatie die naast een beperkt gedeelte met
competitieve doeleinden andere sportactiviteiten omvat zonder enig competitief
doel.
3. Wedstrijd: de sportmanifestatie met een uitsluitend competitief
doel.
4. Opleiding: de voorbereiding van sportbeoefenaars op deelname
aan sportmanifestaties.
5. Opleider: de begeleider die de opleiding verzorgt in opdracht
van een erkende sportfederatie en die over een diploma in die sporttak
beschikt, uitgereikt of erkend door de Vlaamse Trainersschool.
6. Minderjarige: elke sportbeoefenaar die de leeftijd van 18 jaar
nog niet heeft bereikt.
TITEL III: MINIMUMLEEFTIJDEN
Art.3 : De volgende minimumleeftijden zijn van
toepassing bij solopiloten volgens de hierna bepaalde indeling in categorieën
en specificaties
Art 4. De volgende minimumleeftijden zijn van
toepassing bij solopiloten volgens de hierna bepaalde indeling in categorieën
en specificaties
Art. 5 Voor de toepassing van de
minimumleeftijd geldt de verjaardag van de piloot. Piloten die de maximumleeftijd van hun categorie bereiken
tijdens het lopende sportseizoen mogen het sportseizoen verder afwerken binnen
hun categorie of kunnen overstappen naar een hogere categorie. Eenmaal de keuze
is gemaakt is deze definitief. Een piloot tot 15 jaar kan per dag
slechts in één categorie deelnemen.
Art. 6 De opleider of een lid van het
Organiserend Comité, onder wiens verantwoordelijkheid een bepaalde
sportmanifestatie valt, zal laten toezien op de naleving van de bepalingen onder
TITEL III. Hij kan ten allen tijde
beslissen om een voertuig niet te laten starten en/of uit de wedstrijd te
nemen.
TITEL
IV: SPORTPASSEN
Art.
7 Een minderjarige die lid is van UMC Vlaanderen moet in het bezit zijn van een
geldige UMC sportpas.
Art. 8 De vorm van de sportpas wordt door het
Jeugdcomité bepaald.
Art. 9 De opleider is samen met de leden
van het Organiserend Comité verantwoordelijkheid voor conformiteit van de
sportpassen met wettelijke, statutaire of daaruit voortvloeiende bepalingen.
De sportpas
wordt in elk geval vóór de aanvang van elke proef of wedstrijd aan de opleider
of aan een lid van het Organiserend Comité ter controle overhandigd. Hij zal de
plaats, de datum en de afstand of tijdsduur van de proef of de wedstrijd in de
sportpas aanbrengen.
Art.
10 De sportpas bevat volgende gegevens:
1°
de voornaam, de achternaam, het adres en de geboortedatum van de minderjarige;
2°
een foto van de minderjarige;
3°
de toestemming van de ouders, voogd of wettelijke vertegenwoordigers;
4°
de sporttakspecifieke medische geschiktheid.
Art
11. De sportpas voor een minderjarige die wil deelnemen aan proeven of
wedstrijden is pas geldig als hij de volgende gegevens bevat :
1°
de voornaam, de achternaam, het adres en de geboortedatum van de minderjarige;
2°
een foto van de minderjarige;
3°
de toestemming van de ouders, voogd of wettelijke vertegenwoordigers;
4°
de medische geschiktheid voor motorcross;
5°
de datum waarop de minderjarige, nadat hij de motorcrossopleiding heeft
gevolgd, over voldoende vaardigheden beschikt om deel te nemen aan een proef of
wedstrijd;
6°
een opsomming van de plaats, de datum en de afstand of de tijdsduur van alle
proeven en wedstrijden waaraan de minderjarige heeft deelgenomen;
7°
een opsomming van alle fysieke letsels die de minderjarige al heeft opgelopen
tengevolge van sportbeoefening, en waarvoor een ongevalaangifte werd opgesteld.
Art.
12 De minderjarige die geen lid is van UMC Vlaanderen en die woont in het
Nederlandse taalgebied mag deelnemen aan proeven of wedstrijden indien hij in het bezit is van een sportpas uitgereikt
door een andere motorcrossfederatie en na toestemming van de voorzitter van het
Organiserend Comité.
Art.
13 De minderjarige die geen lid is van UMC Vlaanderen en die niet woont in het
Nederlandse taalgebied mag deelnemen aan proeven of wedstrijden indien hij aantoont dat hij voldoet aan de voorwaarden
inzake medische geschiktheid voor motorcross of als hij een geldige licentie
kan voorleggen, uitgereikt door de bevoegde instantie van een andere staat of
gemeenschap.
Art. 14 Piloten die de leeftijd van
vijftien jaar nog niet hebben bereikt, dienen eerst een opleiding te volgen
alvorens de sportpas geldig is.
Art. 15 Piloten van dewelke een
ongevallendossier wordt geopend,
beschikken niet langer over een geldige sportpas. De sportpas wordt
ingetrokken. De Raad van Bestuur dient zich nadien uit te spreken over het
ongedaan maken van de intrekking van de sportpas, op vraag van de
desbetreffende piloot of zijn wettelijke vertegenwoordiger en na genezen
verklaring overeenkomstig art. 46
Art. 16 De piloot houdt de sportpas
steeds bij zich behalve tijdens een sportmanifestatie, een proef of een
wedstrijd. De sportpas kan worden ingetrokken ingeval van fraude, disciplinaire
sanctie of letsel.
TITEL V : DISCIPLINE
Art. 17 Bij het niet respecteren van de
regels van onderhavig sportreglement, enig ander reglement uitgaande van UMC
Vlaanderen of van de statuten of de wet, kan het Disciplinair Comité tijdens de
wedstrijd volgende sancties nemen:
-
waarschuwing
-
boete tot € 200,-
-
straftijd/ strafpunten
-
diskwalificatie
-
weigering van start
-
uit wedstrijd nemen (zwarte vlag of bord met
desbetreffende nummer)
Zij kunnen eveneens de beslissingen van
de Voorzitter van het Organiserend Comité , de beslissingen van leden van het
Organiserend Comité, van de koersdirecteur of van opleiders hervormen.
Het Disciplinair comité wordt
samengesteld uit leden van het Organiserend comité en uit de twee
afgevaardigden van UMC vzw, conform art. 60 van het Huishoudelijk Reglement.
Art. 18. Eventuele klachten, inbreuken
of andere geschillen met betrekking tot sportmanifestaties kunnen worden
voorgelegd door toegetreden leden of door leden van het Disciplinair Comité aan
het Beroepscomité binnen een termijn van 30 dagen na datum van het voorval, per
aangetekend schrijven gericht aan de voorzitter.
Het Beroepscomité is bevoegd om volgende
maatregelen te nemen:
-
berisping
-
strafpunten voor kampioenschap
-
boete tot € 1.000,00-
-
schorsing
-
uitsluiting
Bij schorsing of uitsluiting kan tevens
de sportpas worden ingetrokken voor de duur van de schorsing of definitief bij
uitsluiting.
De leden van het Beroepscomité worden
benoemd door de Raad van Bestuur.
Art. 19. Tegen de beslissing van het
Beroepscomité kan in beroep worden gegaan bij de Raad van Bestuur binnen de 15
dagen per aangetekend schrijven gericht aan de voorzitter.
De Raad van Bestuur kan dezelfde
maatregelen uitspreken als het Beroepscomité.
Art. 20. Disciplinaire beslissingen van
het Beroepscomité of de Raad van Bestuur worden aangetekend ter kennis gebracht
van de betrokkenen.
Art. 21. De verwerende partij is
gerechtigd om vooraf, meer bepaald voor het nemen van de desbetreffende
beslissing, gehoord te worden door respectievelijk het Beroepscomité of de Raad
van Bestuur.
TITEL
VI: OPLEIDING
Art.
22 Vooraleer de minderjarige tussen de zes en de vijftien jaar, aan een proef
of wedstrijd kan deelnemen, moet hij een opleiding gevolgd hebben en moet hij
over de vaardigheden beschikken die vereist zijn voor de proef of de wedstrijd.
Dat
laatste wordt beoordeeld door een opleider, die voorkomt op de lijst van
erkende opleiders.
Als
de desbetreffende minderjarige de opleiding heeft gevolgd en als de opleider
van oordeel is dat de minderjarige over voldoende vaardigheden beschikt om aan
een proef of wedstrijd deel te nemen, noteert de opleider de datum waarop aan
die beide vereisten is voldaan in de sportpas van de minderjarige.
Art. 23
Piloten kunnen vanaf de leeftijd van zes tot acht jaar een basisopleiding
volgen. Zij dienen over een geldige sportpas te beschikken. De basisopleiding
heeft geen enkel competitief karakter. Ze beoogt het aanleren van de juiste
basishoudingen.
De basisopleiding wordt gegeven op
een aangepast oefenterrein dat in meerdere oefenzones kan opgedeeld worden. Het
oefenterrein is vrij van obstakels die de piloot de controle over de motor of
bromfiets kunnen doen verliezen.
De
maximale duur van een
basisopleiding bedraagt zestig minuten per dag en per
week. Een rij sessie bedraagt maximum
dertig minuten. Per dag kunnen de piloten
maximaal aan twee rij sessies deelnemen.
Art.
24 Piloten van acht tot vijftien jaar die tijdens het vorige sportseizoen een
opleiding hebben gevolgd dienen minimaal drie uur
opleiding te volgen vooraleer aan motorcrossproeven of motorcrosswedstrijden
deel te nemen.
Piloten van acht tot vijftien jaar die tijdens het
vorige sportseizoen geen
opleiding
hebben gevolgd dienen minimaal negen uur opleiding te volgen
vooraleer aan motorcrossproeven of motorcrosswedstrijden
deel te nemen.
Art. 25 Na de opleiding worden de vereiste vaardigheden
door de opleider geëvalueerd en
dient de
piloot te slagen in een bekwaamheidstest voor zijn categorie. Bij niet slagen
dient de piloot opnieuw opleiding te volgen tot hij voldoende vaardig is en het
opleidingsprogramma van de betrokken categorie beheerst.
Een opleidingssessie bestaat uit minimum twee uur en
maximum drie uur
effectieve opleiding. Een opleidingssessie
wordt opgedeeld in een conditioneel.
sporttechnisch
en informatief gedeelte. Het sporttechnisch gedeelte duurt
minstens dertig en maximum vijfenveertig minuten. Per
opleidingssessie worden maximum drie sporttechnische gedeeltes aangeboden. Per
dag kan slechts één
opleidingssessie
gevolgd worden.
Art. 26 Piloten van vijftien jaar of
ouder zijn vrijgesteld van het volgen van opleiding. Om aan
motorcrosswedstrijden of motorcrossmanifestaties deel te nemen dienen zij
evenwel een geldige sportpas voor te leggen waarin hun vaardigheid voor
deelname aan motorcrosswedstrijden of motorcrossmanifestaties door een opleider
is genoteerd.
Art.
27 Voor deelname van minderjarigen aan opleidingen is de schriftelijke
toestemming van de ouders, voogd of wettelijke vertegenwoordigers vereist.
Art.
28 De opleiding wordt verzorgd door erkende UMC Vlaanderen opleiders. Zij zijn
bevoegd om bij inbreuken van onderhavig reglement inzake opleiding een piloot
de (verdere) deelname aan de opleiding te ontzeggen. De opleiding gebeurt aan
de hand van een opleidingsprogramma dat voldoet aan alle wettelijke vereisten.
De
opleider oordeelt of een piloot over voldoende vaardigheden beschikt om in
zijn categorie opeen veilige wijze aan motorcrossproeven,
motorcrosswedstrijden of
motorcrosssportmanifestaties
deel te nemen en noteert
dit in de
sportpas van de piloot.
Bij de opleiding staat
de opleider ondermeer in voor:
1°
het veilig gebruiken van het oefenterrein en het nemen van de gepaste
maatregelen bij onveilige situaties;
2° het correct noteren in
de sportpas van de naam van de opleider en de datum
waarop de piloot over voldoende
vaardigheden beschikt;
3° de
inhoud van de opleiding op basis van het
opleidingsprogramma en de kindvriendelijke organisatie ervan.
TITEL
VII:
PROEVEN
Art. 30
De piloot die de leeftijd van acht jaar heeft bereikt en die over een geldige
sportpas beschikt, mag aan maximaal één motorcrossproef per week en maximaal
dertig motorcrossproeven per jaar deelnemen. Elke deelname wordt genoteerd in de sportpas. De opleider of een lid van het
Organiserend Comité dient hierop toe te zien.
Art.
31 De motorcrossproeven worden georganiseerd onder leiding van een opleider. De
opleider is bevoegd een piloot de (verdere) deelname aan een proef te ontzeggen
in geval van een inbreuk op onderhavig Reglement inzake proeven.
Per
opleider kunnen maximum twaalf piloten aan een motorcrossproef deelnemen. Onder leiding van twee opleiders kunnen maximum
vierentwintig piloten gelijktijdig
per reeks in een categorie deelnemen aan een motorcrossproef.
Een
motorcrossproef bestaat uit minimum drie en maximum vijf verschillende onderdelen, waarvan maximaal twee competitieve
onderdelen, zijnde de uithoudingsproef
en de chronoproef. De trainingsproef is een verplicht onderdeel van de motorcrossproef en geldt niet
als opleiding.
De opleider bepaalt de samenstelling van de
motorcrossproef, op basis van
volgende
onderdelen :
1° trainingsproef : deze
is gericht op het verbeteren van de basistechniek motorcross waarin een kennismaking
met. de hindernissen, het parcours en de groepsstart
centraal staan. Deze trainingsproef bedraagt maximum dertig minuten;
2° uithoudingsproef; deze heeft een maximum duur van
twaalf minuten. Tijdens de
uithoudingsproef
is een groepsstart achter het starthekken toegestaan met
maximum vierentwintig piloten. Indien er twee
uithoudingsproeven worden
gereden,
dan dient een rustpauze van tenminste negentig minuten te worden
gerespecteerd;
3°
behendigheidsproef: deze is gericht op het evenwicht en de behendigheid van
de piloot waarbij de snelheid van uitvoering van
ondergeschikt belang is;
4° chronoproef: is een proef
waarbij de piloten zo snel mogelijk een ronde afleggen.
Voordat de piloten een snelle ronde rijden, moet een verkenningsronde gereden
worden onder leiding van een opleider, met als doel de toestand van het parcours te verkennen. Meerdere snelle ronden per
chronoproef zijn toegestaan. De
chronoproef bedraagt maximaal twaalf minuten per piloot, ongeacht het aantal
beurten en ongeacht de lengte van één chronorit.
Wanneer een piloot een motorcrossproef niet uitrijdt,
wordt hij/zij geacht aan
de
motorcrossproef te hebben deelgenomen.
Bij de organisatie van motorcrossproeven staat de
opleider ondermeer in voor:
1° de inspectie van het parcours en het nemen van de
gepaste maatregelen bij onveilige
situaties;
2° het uitvoeren van een correcte en veiliqe
startprocedure. De opleider
bepaalt welke startwijze gehanteerd wordt;
3° de briefing aan de ouders en de piloten;
4° de fair-piay en sportiviteit
onder de piloten;
5° de inhoud van de motorcrossproef en de
kindvriendelijke organisatie ervan;
7° de correcte en goede communicatie met de
voorzitter van het Organiserend Comité die het toezicht
heeft op een motorcrossproef.
De
opleider kan zich laten bijstaan door één of meerdere helpers die niet noodzakelijk de wettelijk vereiste diploma’s
dienen te bezitten.
Voor de startprocedure bij motorcrossproeven houdt de
opleider rekening met volgende
richtlijnen :
1° voor
de start verzamelen de piloten zich met hun motor of bromfiets in een
aparte zone, opstelzone genaamd, waar
ze door de opleider of zijn helper een
plaats krijgen toegewezen;
2° op
het signaal, gegeven door de opleider of zijn helper begeven de piloten
zich één voor één naar hun
startpositie;
3° enkel
de piloten met hun motor of bromfiets mogen zich aan de startpositie
bevinden; hulp van derden is niet toegestaan. Piloten mogen
gebruik maken van een
startblok om het evenwicht te bewaren;
4° de opleider beslist over de startwijze. Er kan zowel
voor een groepsstart als
voor een individuele start gekozen worden;
5° een groepsstart met draaiende motoren mag plaatsvinden
van achter het
starthek, op voorwaarde dat minstens vijf vrije
startplaatsen overblijven als
alle piloten zijn opgesteld;
6° wanneer de piloten hun
startpositie hebben ingenomen wordt aan de hand van
een vlag of ander signaal kenbaar gemaakt dat de piloten
startklaar zijn. Het startsignaal
wordt maximum dertig seconden na dit teken gegeven;
7° de wijze waarop het startsignaal wordt gegeven wordt
bepaald door de
opleider.
Art. 32 Er worden geen prijzen
uitgedeeld gebaseerd op een individuele rangschikking van de deelnemers aan de
proef.
Art. 33 De proeven worden
kindvriendelijk georganiseerd en beogen een leereffect. Indien twee leden van
het Organiserend Comité of de voorzitter van het Organiserend Comité of een
opleider van oordeel zijn dat de omstandigheden van die aard zijn dat een proef
niet ten volle de veiligheid van de piloten waarborgt, kan de proef niet
doorgaan.
Art. 34 Tijdens de proef ligt de volledige
deelnemerslijst met alle identiteitsgegevens van de deelnemers per categorie en
de ingevulde sportpas op het plaatselijke secretariaat beschikbaar.
TITEL VIII WEDSTRIJDEN
Art. 35
Piloten die de leeftijd van twaalf jaar niet hebben bereikt mogen niet deelnemen aan motorcrosswedstrijden.
Art 36. Piloten van twaalf tot vijftien jaar mogen maximum
aan één
motorcrosswedstrijd per week deelnemen en aan
maximaal dertig
motorcrosswedstrijden per jaar.
Een motorcrosswedstrijd voor piloten jonger dan vijftien
jaar bestaat uit
maximum twee reeksen waartussen een rustpauze van tenminste
negentig minuten moet worden gerespecteerd.
Indien een motorcrosswedstrijd gespreid is over twee
opeenvolgende dagen kunnen piloten
deelnemen indien er maximum één reeks per
dag gereden wordt.
In de categorieën tot vijftien jaar mogen maximum dertig
piloten per reeks in
een categorie
deelnemen.
Art. 37 Een motorcrosswedstrijd voor piloten van
vijftien jaar en ouder bestaat uit
maximum drie reeksen waartussen
telkens een rustpauze van tenminste negentig minuten
moet worden gerespecteerd.
In de categorieën van vijftien jaar en ouder mogen
maximum achtenveertig
piloten per reeks in
een categorie deelnemen.
Art. 38 De maximale tijdsduur van een reeks bedraagt voor;
1°
juniors: tien minuten + één ronde;
2° seniors: vijftien minuten + één ronde;
3° aspiranten: vijftien minuten + één ronde;
4a
beloften:
vijftien minuten + één ronde;
5° alle categorieën (piloten van vijftien jaar en ouder):
meer dan vijftien
minuten toegestaan met een
maximum van honderd minuten competitie per dag en een rustperiode van minimum negentig minuten
tussen de reeksen.
Art. 39 Een motorcrosswedstrijd wordt georganiseerd onder
leiding van de voorzitter van het Organiserend Comité. Hij of de koersdirecteur
is bevoegd om piloten de (verdere) deelname aan een wedstrijd te ontzeggen
indien deze een inbreuk plegen op onderhavig reglement inzake wedstrijden, het
huishoudelijk reglement, de statuten of de wet.
Voor de startprocedure bij motorcrossproeven houdt de
opleider rekening met volgende
richtlijnen:
1° Voor de start verzamelen de piloten en hun machine
zich in een aparte zone waar ze door een lid van het Organiserend Comité een
plaats krijgen toegewezen. Dit is de opstelzone.
2°
Op het signaal,
gegeven door deze persoon begeven de piloten zich één voor één naar het
starthek.
3°
Enkel de piloten met
hun machine mogen zich aan de start en het starthek bevinden. Rijders die hun
plaats achter het starthek eenmaal hebben ingenomen, mogen niet meer van plaats
veranderen, noch terugkeren naar de opstelruimte, noch hulp van derden
ontvangen. Op het ogenblik dat het starthek is gevallen is hulp wel toegestaan.
4° Er vindt een groepsstart plaats met
draaiende motoren van achter het starthek.
5° Door middel van een vlag of ander signaal
wordt aan de starter kenbaar gemaakt dat de
deelnemers
startgereed zijn.
6°
De wedstrijd neemt aanvang na het vallen van het starthek
Art. 40 Als een piloot de motorcrosswedstrijd of
motorcrosssportmanifestatie niet
uitrijdt
wordt hij/zij geacht aan de motorcrosswedstrijd of
motorcrosssportmanifestatie
te hebben deelgenomen.
Art. 41 Voor aanvang en tijdens de motorcrosswedstrijd of motorcrosssportmanifestatie
dient de volledige deelnemerslijst
per categorie samen met de ingevulde sportpas op het plaatselijke secretariaat beschikbaar te zijn.
Art. 42 De deelname aan
motorcrosswedstrijden en motorcrosssportmanifestaties van
piloten tot achttien jaar dient vóór de start genoteerd
te worden in de
sportpas. Een opleider of een lid van het
Organiserend Comité dient hierop toe te zien.
Art.
43
Indien
twee leden van het Organiserend Comité of de voorzitter van het Organiserend
Comité
van oordeel zijn dat de
omstandigheden van die aard zijn dat een wedstrijd niet ten volle de veiligheid
van de minderjarige piloten waarborgt, kan de wedstrijd niet doorgaan.
Elk lid van het Organiserend Comité
is tevens bevoegd voor het controleren van dagvergunningen. Zij kunnen
desgevallend een piloot weigeren aan de wedstrijd te laten deelnemen.
TITEL IX MEDISCH ONDERZOEK
Art.
44 De kosten die voortvloeien uit het medisch onderzoek zijn volledig ten laste
van de minderjarige, ouders, voogd of wettelijke vertegenwoordigers.
Art.
45 Vooraleer aan een opleiding,
motorcrossproef, motorcrosswedstrijd of motorcrosssportmanifestatie
deel te nemen moet de piloot jaarlijks een sporttakspecifiek
medisch onderzoek ondergaan bij een door de wettelijk erkende keuringsarts en geschikt bevonden worden
voor de beoefening van motorcross. De
conclusie met betrekking tot de medische geschiktheid wordt door de erkende keuringsarts jaarlijks opgetekend
in de sportpas.
Het sporttakspecifiek medisch onderzoek omvat minimaal
volgende onderzoeken:
tetanusvaccinatie,
persoonlijke en sportanamnese, algemeen klinisch onderzoek,
éénmalig een ergometertest voor de zestienjarigen en
alle onderzoeken die de keuringsarts nodig acht.
Art.
46 Bij een ongeval met lichamelijke letsels wordt de
datum van het
ongeval en de aard van de letsels door een
door de sportfederatie aangestelde
verantwoordelijke
genoteerd in de sportpas en wordt de sportpas hierdoor
ongeldig gemaakt.
Een piloot kan na een ongeval of een kwetsuur enkel
opnieuw tot de opleiding,
motorcrossproef,motorcrosswedstrijd of motorcrosssportmanifestatie worden toegelaten mits de piloot volledig genezen
verklaard wordt door een door de wettelijk
erkende keuringsarts. De keuringsarts noteert zijn naam en de datum van genezen
verklaring in de sportpas.
TITEL X PARCOURS EN ACCOMODATIE
Het parcours dient aangepast te zijn aan de leeftijd en
de ervaring van de
piloten die op het
parcours zullen rijden.
Art. 48 Het parcours dient minstens te voldoen aan de
volgende voorschriften:
1° een minimale lengte van duizend honderd meter; een
maximale lengte van tweeduizend
meter;
2° een minimale breedte van vijf meter over de gehele
lengte van het parcours;
3° een startvlakte met een breedte van minimaal één meter
per startplaats en die
gelijkmatig toeloopt naar de gewone breedte van het parcours;
4°
de eerste bocht na de start ligt maximaal honderd meter
van de startlijn
verwijderd;
5° het parcours wordt voorzien van een dubbele
omheining;
6°
het parcours beschikt over een veilige en behoorlijk aangeduide uitgang die
minstens tien meter lang is.
Een
parcourshindernis moet op een zodanige wijze worden aangelegd dat deze door
alle
piloten al rijdende kan genomen worden. Bij het aanleggen van een sprong of hindernis dient rekening gehouden te worden
met de mogelijkheid tot het herstellen
van een fout door de piloot. Springbergen dienen meerdere landingsplaatsen te hebben zonder de kans op
blessures te verhogen. Natuurlijke hindernissen
dienen eveneens aan deze veiligheidsvoorwaarden te voldoen. Obstakels
langs het parcours zoals bijvoorbeeld bomen of rotsen die bij een valpartij lichamelijke letsels kunnen
veroorzaken, moeten beveiligd worden met schokabsorberende materialen zoals stro of banden.
Tijdens motorcrossproeven zijn dubbelsprongen of andere
meersprongen niet
toegestaan.
Art. 49 Het parcours wordt gekeurd door de voorzitter
van het Organiserend Comité. Zonder deze goedkeuring kan geen sportmanifestatie
plaats vinden.
Art. 50 Het Organiserend Comité stelt een reglement op
ten minste een week voor de aanvang van de sportmanifestatie, hetwelk
specifieke bepalingen bevat over het parcours en de accommodatie, de geluidsnormen
en de milieunormen.
Art. 51. Tijdens de duur van een motorcrossproef, motorcrosswedstrijd of
motorcrosssportmanifestatie dient een
medische dienst aanwezig te zijn.
Deze
medische dienst krijgt een voldoende grote ruimte toegewezen met een goed
overzicht over het parcours, een goede toegang tot het
parcours en die eenvoudig
te bereiken
is met autovoertuigen.
Deze medische dienst dient te bestaan uit:
1° een vaste hulppost en voldoende mobiele hulpposten. Er
dient steeds een
ziekenwagen aanwezig te zijn wanneer er op het parcours
gereden wordt;
2° een arts en voldoende geschoolde hulpverleners.
De medische hulpposten beschikken over een duidelijke
signalisatie zodat deze
gemakkelijk
herkenbaar zijn.
TITEL XI UITRUSTING
1°
goedgekeurde motorcrosshelm met label ECE. Enkel een helm met een kinband
als retentiesysteem is toegestaan. De
helm dient zodanig gedragen te worden dat
de kinband niet over de kin kan getrokken worden bij
voor- of achterwaartse beweging
van het hoofd de helm niet kan gekanteld worden;
2°
crosslaarzen uit leder
of gelijkwaardig materiaal met gesloten gespen.
Kleefband er rond is verboden;
3° crosshandschoenen in
onbrandbaar materiaal;
4°
nauwsluitende crosstrui of jacket met lange mouwen. Opgerolde mouwen zijn
verboden. Bij regen of modderige
omlopen mag gebruik gemaakt worden van een
nauwsluitende regenvest zonder kap en van een
nauwsluitende waterdichte broek
boven de crossbroek;
5° crossbroek in leder
of ander onbrandbaar materiaal;
6° niergordel gedragen
onder de trui;
7° harnas gedragen onder
de trui;
8° crossbril met splintervrije glazen, verplicht te
dragen bij de start. Men is
niet verplicht deze bril te dragen tijdens de ganse duur van de
opleiding, motorcrossproef,
motorcrosswedstrijd of motorcrosssportmanifestatie. Piloten
die in het dagelijkse leven een bril dragen, zijn
verplicht een bril te dragen met splintervrije
glazen.
9° alle loshangende
voorwerpen aan hoofd, hals en helm zoals oorbellen, sjaals,
kettingen, lange haren, ... zijn ten
strengste verboden.
Art. 53. Het materiaal van een piloot die deelneemt aan
een opleiding,
motorcrossproef, motorcrosswedstrijd of
motorcrosssportmanifestatie moet
voldoen aan
volgende voorschriften:
1° technische voorzieningen: bij aanvang van de opleiding
of bij aanvang van
elke reeks in een
motorcrossproef, motorcrosswedstrijd of
motorcrosssportmanifestatie
dient de motor of bromfiets aan volgende eisen te
voldoen:
a)
een goed
gedempte uitlaat (te meten volgens de bepaling van VLAREM);
b)
goed
werkende remmen;
c)
opklapbare
voetsteunen;
d)
een
stuurbeschermer;
e)
een goed
werkende kopserie;
f)
vaste
spaken en goede velgen in de wielen;
g)
een
stroomonderbreker binnen handbereik van de piloot;
i) handvaten
die goed op het stuur moeten vastzitten;
j) gashendel
die zelfsluitend moet zijn bij het loslaten;
k) duidelijk
leesbare nummerborden;
1) ronde
knoppen aan rem- en koppelingshendel;
m) geen
standaard die aan de motor is bevestigd.
n)
tandwielbeschermer
2° nummering: iedere twee- of driewielige motor of
bromfiets moet voorzien zijn
van drie
nummerborden op de volgende plaatsen: voorkant, rechts onder aan het
slijkbord en links onder aan het slijkbord. Iedere
vierwielige motor of
bromfiets moet voorzien
zijn van twee nummerborden op de volgende plaatsen:
vooraan en achteraan. Binnen elke categorie ontvangt elke
piloot een
individueel nummer. Het toegekende nummer is
strikt persoonlijk.
3° technische controle: voor aanvang van de opleiding,
motorcrossproef, motorcrosswedstrijd of motorcrossmanifestatie dient de piloot
of zijn helper zijn motor of bromfiets bij de technische keuring aan te bieden.
De technische keuring staat onder leiding van de
voorzitter van het Organiserend Comité. Deze laatste alsmede de opleiders en de
koersdirecteur kunnen aan een piloot het verbod van (verdere) deelname opleggen
indien de motor of de kledij niet voldoen aan de gestelde eisen of een gevaar
betekenen voor andere piloten of toeschouwers.
TITEL
XII VERLOOP VAN DE MANIFESTATIE
Art. 54 De volgende signalen dienen te worden
gerespecteerd bij elke sportmanifestatie, onder meer bij de opleiding, de
proef, de wedstrijd en de training:
*
zwart - wit
geblokte vlag : aankomst vlag – einde wedstrijd
*
gele
vlag of bord met zwart cijfer 1 : aanduiding laatste ronde.
*
groene
vlag : omloop vrij, gereed voor startprocedure
*
bord
met tijd
: Gebruikt door de
startmeester. Geeft de tijd aan voor het vertrek
*
gele
vlag - stilgehouden : Algemeen gevaar. Snelheid minderen.
*
gele
vlag – gezwaaid : Inhalen verboden. Snelheid minderen.
*
blauwe
vlag op het terrein : Opgelet, u wordt voorbijgereden door een piloot met een
ronde voorsprong
*
blauwe
vlag aan uitrit piloten : motoren stilleggen.
* rode vlag : Verplicht stoppen voor iedereen,
bij valse start dient iedereen zich zo spoedig mogelijk opnieuw naar de
startzone te begeven
*
zwarte
vlag of bord met nummer : aangeduide jeugdpiloot wordt uit wedstrijd genomen.
*
bord
met stopteken : Vanaf dit teken mag niet meer met de motor worden gereden.
Art. 55
Enkel de Voorzitter
van het Organiserend Comité en de koersdirecteur heeft het recht om op eigen
initiatief, wegens dringende veiligheidsmaatregelen of andere gevallen van
overmacht een wedstrijd voortijdig te stoppen of af te gelasten.
|